top of page

Paulo Costello

Paulo Costello staarde naar een vlieg. Hij was al een tijdje wakker, maar maakte geen aanstalten om op te staan. Het was meedogenloos heet onder de dekens, zijn zweet sijpelde langzaam het matras in, maar hij bleef maar kijken hoe het insect zich keer op keer tegen het gesloten raam wierp als een zoemende kamikazepiloot. Na een tijdje sloeg Paulo met een felle beweging de dekens van zich af. De vlieg liep inmiddels rusteloos over het koele oppervlakte van het glas en keek verlangend naar buiten. Toen Paulo de deur op een kiertje deed schoot hij direct weg. Paulo hief zijn hand voor zijn gezicht om het zonlicht tegen te houden, zag de appartementencomplexen van de badplaats, de grijze betonblokken vol met kamers, en verderop ook de glinsterende zee. Exact op dat moment bedacht Paulo hoe hij de vlieg achterna kon gaan. Hij beeldde zich in hoe hij het raam verder open trok en van de vensterbank sprong en tientallen meters naar beneden viel.

 

Dit komt je vast bekend voor.

 

Niet?

 

Wacht, ik zal het je uitleggen. Heb je wel eens dat je op een trein aan het wachten bent? Je staat op het perron. Je bent omringd door medereizigers en verderop reflecteert de zon op het ijzer van de rails. Een vrouw gooit het papiertje van een broodje in de prullenbak. Een man drukt zijn sigaret uit. Een emotieloze vrouwenstem herhaalt het bericht over de wisselstoring tussen Amsterdam en Utrecht. Dan verschijnt er in de verte een trein. Jouw trein. De knarsende wielen zijn binnen gehoorsafstand en de voorste wagon komt razendsnel dichterbij. Dan bedenk je dat je nu voor deze trein zou kunnen springen. Niemand zou je kunnen tegenhouden. Je zou worden vermorzeld door de wielen, tot er niets meer van je over is behalve een bloederige prop kleren. Je ziet het voor je, alle details, en zonder te weten waarom voel je de neiging om deze droom tot een werkelijkheid te maken. Je doet het natuurlijk niet. Je bent min of meer gelukkig en je wilt helemaal niet dood. Je wacht tot de trein stilstaat, stapt in en gaat verder met je reis alsof er niets aan de hand is. Maar toch zag je het voor je. Het voelde als iets eeuwigs.

 

De Fransen noemen dit l’Appel Du Vide, de schreeuw van de leegte. Ik heb niet zoveel met Fransen, maar dit soort dingen doen ze toch maar weer mooi. Als we het over interessante woorden hebben gaat het als snel over Duitsers maar Duitsers plakken gewoon heel veel woorden achter elkaar en doen alsof het iets enorm speciaals is: Unabhängigkeitserklärungen. In Frankrijk proberen ze er tenminste nog iets van te maken. Iets elegants. Het is eigenlijk een prachtig land, jammer dat er zo veel Fransen wonen.

 

Hoe dan ook, Paulo Costello scheurde zijn ogen los van het raam en pakte een wit kopje uit een kastje boven het aanrecht. Hij zette alvast de waterkoker aan voor de oploskoffie. Daarna plukte Paulo nog een banaan van de fruitschaal en opende toen de deur van zijn kleine balkonnetje. Vanaf daar keek hij naar dagjesmensen van de badplaats. Ze droegen grote zonnebrillen en hielden hun tasjes krampachtig in hun handen geklemd. Paulo stelde zich voor hoe ze zouden reageren als hij zijn lauwe koffie over hun hoofden uitgoot. De badplaats ontving veel toeristen in de zomermaanden. Ze kwamen, kochten een ijsje en lagen een paar dagen op het strand. Daarna gingen ze weer naar huis. Maar Paulo Costello was hier elke dag. Hij had een geschiedenis hier.

 

Na het ontbijt besloot Paulo om naar het strand te gaan. Het was aardig druk, maar Paulo vond een rustig plekje naast het kantoor van de reddingsbrigade. Hij liet zijn rugzak op de grond zakken en trok zijn schoenen en overhemd uit. De omvang van zijn behaarde buik hield hij enigszins verborgen met zijn handdoek. Bij de pier controleerde Paulo of er al mosselen tussen de stenen lagen. Dat was typisch iets wat de dagjesmensen niet konden begrijpen. De omwenteling van de seizoenen en welk effect dit had op de badplaats. Vroeger zocht hij hier met Maria naar mosselen, verwonderde hij zich over de aanslag op de donkerblauwe schelpen, over de weke propjes vlees vanbinnen waarvan je niet kon geloven dat ze leefden en Maria was zo knap en samen liepen ze over het glibberige mos van de stenen en ze hield zijn hand vast… Iemand schreeuwde. Paulo draaide zich geschrokken om en zag een strandwacht zwaaien met twee rode vlaggen. Hij liep gehaast naar Paulo toe.

 

‘U moet even wachten tot het eb is,’ zei de strandwacht, een twintiger met blonde krullen en een zonnebril. ‘Het is nu nog te glad bij de pier. De stenen zijn verraderlijk.’

 

‘Kan ik daar zelf niet op letten?’

 

‘Sorry meneer, dat zijn regels.’ Hij glimlachte. ‘We willen niet dat u valt.’

 

‘Prima.’

 

‘Bent u op vakantie?’ vroeg de strandwacht.

 

‘Hoezo?’

 

‘Het lijkt alsof u hier niet vandaan komt.’

 

‘Ik woon hier.’

 

‘Oh,’ zei de jongen onhandig.

 

‘Excuses.’

 

Paulo draaide zich beledigd om en waadde als een koning de Noordzee in. Het water voelde prettig warm, omdat de zon al de hele ochtend op het oppervlakte had geschenen. Een golf veroverde onverwacht een stukje droge huid. Zijn borsthaar werd vochtig.

 

‘Meneer!’ riep de strandwacht weer. Paulo draaide zich woedend om.

 

‘Als u gaat zwemmen moet u binnen de boeien blijven!’

 

Paulo gromde een antwoord terug. Voor de dagjesmensen was zijn zee getemd met vier drijvende skippyballen. Een gedomesticeerd stukje oceaan. Een kennel, waar zij rustig in konden spelen, als peuters bij de opvang. Paulo dreef een tijdje op zijn rug in het water, maar hij voelde zich bekeken en gekleineerd en toen hij het koud kreeg besloot hij om naar zijn handdoek terug te gaan. Naast hem smeerden twee jongens zonnebrand op de ontblote ruggen van hun vriendinnen. Hun donkere handen staken fel af tegen de bleke huid van de meisjes. Ze lachten naar elkaar. De geur van de grillrooms kwam aanwaaien vanaf de boulevard. Op de pier visten toeristen krabben uit de zee, met grote schepnetten die ze voor een lage prijs konden huren en met katrollen naar beneden lieten zakken. Een meisje met een Vlaams accent riep dat zij nu ook een keertje de machine wilde bedienen Paulo las een boek tot de bladzijden oranje kleurden door de ondergaande zon. Hij pakte zijn spullen bij elkaar en wandelde terug om boodschappen te doen. Tijdens het afrekenen in de supermarkt werd zijn pas geweigerd en moest Paulo ten overstaan van de hele rij geld opnemen van zijn spaarrekening. Hij kon het niet opbrengen om de dagjesmensen aan te kijken.

 

Ik zweef, dacht Paulo Costello.

 

Paulo kookte zijn avondeten zoals andere mensen de afwas deden. Met lichte tegenzin. Als hij zich met eten bezig hield voelde hij zich een logge beer, een verzameling van gaten waar constant dingen in en uit moesten. Hij kon nooit van de smaak genieten. Hij ging met zijn bord op het balkon zitten en keek naar het winkelende publiek, hoe ze terugkwamen van het strand met hun opblaaskrokodillen, en bracht met afkeer de lepel naar zijn mond.

 

Ik vraag me nu al een tijdje af of ik het goed zou kunnen vinden met Paulo Costello. Waarschijnlijk niet. Ik ben een stuk jonger dan hij en om eerlijk te zijn voel ik die generatiekloof wel. Zowel qua persoonlijkheid als overtuigingen. Als ik hem ooit zou tegenkomen in een café zouden we elkaar maar weinig te melden hebben. Toch kan ik niet ontkennen dat we diep van binnen op elkaar lijken. De overeenkomsten tussen mij en Paulo Costello zijn zo talrijk dat de verschillen verwaarloosbaar zijn. Case in point: wat Paulo Costello voelde toen hij midden in de nacht wakker werd nadat hij terugkwam van het strand.

​

 *

 

Een verlangen was in hem opgekomen. Een wens als een opengebroken waterleiding, waar alle kinderen van de buurt juichend op af komen rennen. Paulo Costello ging trillend aan het uiteinde van zijn bed zitten. Hij moest terug naar de zee. Hij trok zijn slippers aan, pakte zijn jas van de kapstok en liep gehaast naar buiten. Er was een stilte neergedaald in de straten van de badplaats. Er schenen honderden lichtjes uit de kamers van de zandkleurige appartementencomplexen. Elk lichtje vertegenwoordigde een leven dat even complex, maar ook even simpel was als dat van Paulo Costello. Toen hij zich dat besefte moest hij hard lachen. Een vreemd hoestend geluid dat al jaren niet meer was gehoord in de badplaats. Het was eb. De zee had zich teruggetrokken en het strand was twee keer zo groot. Er waren bundeltjes water achtergebleven in het zand en zijn slippers maakten een soppend geluid terwijl hij over deze poreuze vlakte liep. De zon was al een tijd onder, maar ver weg aan de horizon waren nog wat restjes blauw en oranje te zien, samen met de lichten van cruiseschepen die naar landen vertrokken waar Paulo nog nooit was geweest. Hij knielde op de grond, bracht een kommetje water naar zijn mond en proefde het zout. Toen trok Paulo Costello zijn kleren uit. Eerst zijn shirt, daarna de slippers, toen zijn broek en als laatste zijn onderbroek. Op het verlaten strand was er niemand voor wie hij zich kon schamen. Zijn lichaam was alleen van hem. Paulo legde het bundeltje kleren op de grond en liep naar de branding.

 

Toen rende hij naakt de golven in, eerst snel waar het ondiep was, daarna langzamer waar het water tot zijn middel kwam. De koude golven omhelsden het grote lichaam van Paulo Costello terwijl hij de duisternis in zwom.

bottom of page